Uitleg voor Kinderen.

Bron: BOSK (www.bosk.nl)

 

Wat is een schisis?
Ongeveer 1 à 2 op de 1000 baby's heeft een schisis. Dat zijn er in Nederland ruim 300 per jaar. Daarmee is het één van de meest voorkomende aangeboren afwijkingen.
Het woord schisis komt uit het Grieks en betekent spleet/splijting.
Met "schisis" bedoelen we een aangeboren spleet in lip, kaak en/of gehemelte.
Soms is alleen de bovenlip niet dicht.
De spleet kan ook verder doorlopen in de bovenkaak en het gehemelte of in de neus.
Ook een spleet alleen in het gehemelte komt voor. In dat geval is er niets aan het gezichtje te zien.
Een schisis kan aan één kant van de mond zitten (enkelzijdige schisis), of aan beide kanten (dubbelzijdige schisis).

                    

 

tekening van een kindje                        foto van een kindje met
met een enkelzijdige schisis               een dubbelzijdige schisis

 

Het is niet zo, dat een dubbelzijdige schisis altijd erger is dan een enkelzijdige.
Het is belangrijker hoe alles uitgroeit, en wat het resultaat van de behandeling uiteindelijk is.

Een schisis wordt ook wel eens een hazenlip genoemd. Veel mensen vinden dat een scheldwoord, gebruik het dus maar niet. Maar als je het snuitje van een haas (of konijn) ziet, snap je wel waar het vandaan komt:

 

 

 

 

 

 

Hoe ontstaat een schisis?
Aan het begin van de zwangerschap bestaat een bovenkaak in aanleg uit drie delen: er zijn twee delen aan de zijkant en er is een middendeel (plaatje A). De normale ontwikkeling van de neus met de bovenlip en kaak vindt plaats tussen de 6e en 9e week van de zwangerschap. De verschillende delen die de bovenlip en kaak gaan vormen groeien naar elkaar toe van achteren naar voren en versmelten (plaatje B).

 

                   

Plaatje A                                Plaatje B

 

 

Zo gaat het normaal als een kindje groeit bij de moeder: de 3 delen van de bovenkaak groeien aan elkaar vast. Daarna pas begint het gehemelte te groeien, waar je in plaatje B het begin van ziet. Als het goed is, groeien beide kanten van het gehemelte ook aan elkaar vast in het midden (dit gebeurt in de 10e-12e week van de zwangerschap).

Als de lip- en kaakdelen niet aan elkaar groeien, heb je dus een lip-kaakspleet. Het gehemelte kan daarna nog normaal dichtgroeien. Of het blijft ook open: een lip-kaak-gehemelte spleet. Ook als de lip en kaak wel normaal zijn dichtgegroeid, kan het zijn dat het gehemelte openblijft. Dan heb je dus alleen een gehemeltespleet.

enkelzijdige                          enkelzijdige 
lip-kaakspleet        lip-kaak-gehemeltespleet

 

De dokters gebruiken moeilijke woorden voor de verschillende vormen van schisis.
Een lip-kaak-gehemeltespleet is een
cheilo-gnato-palatoschisis.

cheilo = lip
gnato = kaak
palato = gehemelte

Het is niet bekend waardoor het fout gaat met het dichtgroeien van lip, kaak en/of gehemelte. Als de vader of moeder of iemand in hun familie een schisis heeft, is de kans wat groter dat een kindje ook een schisis heeft. Maar het kan ook zomaar, "per ongeluk", ontstaan.

Soms heeft een kindje met een schisis nog meer afwijkingen. Bijvoorbeeld iets met het hartje, de nieren, teveel of te weinig vingers . Daarom wordt een kindje met schisis gelijk na de geboorte heel goed onderzocht door de kinderarts. Maar meestal is er alleen een schisis, en zijn er verder geen problemen. Een kind met een schisis is verder ook een gewoon kind, wat gewoon de dingen nodig heeft die ieder ander kind nodig heeft en gewoon naar school kan en net zo goed (of slecht) kan leren als wanneer het geen schisis had gehad.

 

Wat voor problemen geeft een schisis?
Het eerste wat ouders tegenkomen als ze een kindje met een schisis krijgen, is dat het er anders uitziet. Vaak zijn de ouders er snel aan gewend, maar voor bijvoorbeeld het kraambezoek is het meestal nieuw. Een baby met een schisis moet vaak snel voor een eerste bezoek naar het schisisteam.

Door een schisis kan een kindje vaak moeilijker drinken. Drinken bij de moeder aan de borst lukt vaak niet, en ook uit een gewone flessenspeen is vaak moeilijk. Gelukkig zijn er veel "trucjes" (bijvoorbeeld het kind anders vasthouden als je het drinken geeft) en speciale spenen om hier iets aan te doen. Als het niet lukt, kan een logopedist (van het schisisteam) helpen.

Kinderen met een schisis kunnen makkelijker verkouden worden dan anderen. Ook kunnen ze sneller last hebben van hun oren. Soms horen ze daardoor minder goed. Meestal worden deze problemen minder bij het ouder worden (ze "groeien er overheen"). Als een kind veel last heeft van de oren, kunnen er buisjes in gezet worden.

Het leren praten gaat vaak moeilijker dan zonder schisis. Doordat de mond anders is, is het moeilijker de woorden goed uit te spreken. En als je minder goed hoort, hoor je ook niet het goede voorbeeld van anderen. Een logopedist kan hierbij helpen, door het geven van allerlei oefeningen. Ze weet heel veel spelletjes, waardoor het oefenen niet vervelend hoeft te zijn.

Als er een schisis is, komen meestal niet alle tanden (goed) door. Dat geeft meestal geen problemen, en er kan met behulp van beugels of een operatie veel aan verbeterd worden.

Als je vaak naar het ziekenhuis moet of zelfs opgenomen moet worden voor een operatie, mis je veel van school.

Het is natuurlijk niet makkelijk voor een kind (en de ouders) als het vaak geopereerd moet worden. En als een kind wat groter wordt, merkt het zelf ook dat het er "anders" uitziet dan anderen.

 

Wat kun je eraan doen?
Vanaf de geboorte tot een jaar of 20 (soms wat korter, soms nog langer) is een kind met schisis onder behandeling bij een schisisteam. In Nederland zijn 14 teams . In zo'n team zitten dokters en anderen, die allemaal nodig zijn voor de behandeling. Bijvoorbeeld:

De volgorde en de leeftijd kan anders zijn, maar in grote lijnen ziet de behandeling bij een (enkelzijdige of dubbelzijdige) volledige schisis er als volgt uit (minder of (veel) meer operaties kan ook!): (deze leeftijden hebben we aangepast naar het schema van het team waar Julian in behandeling is)

Als het nodig is, kan er een operatie gedaan worden om de neus er beter uit te laten zien. Dit kan meestal pas vanaf een jaar of 16.

tekening C: tekening van de lipsluiting
 (bij een enkelzijdige spleet)

 

tekening D: sluiting van het zachte gehemelte 

 

 

 tekening E: met een lap uit de achterwand 
 wordt de opening achter in de keel kleiner  gemaakt

 

 

tekening F: de kaak wordt opgevuld met bot

 

 

 

 

Waar kun je meer informatie vinden?